'Oordelen ....'


Column 3 februari 2011
Leven in Tamale


Ik pin de laatste, door de zon van kleur verschoten plastic knijper vast aan het druipende wasgoed, ben blij dat de klus er weer opzit voor vandaag en overpeins de voordelen van een wasmachine terwijl ik mijn pijnlijk rode vingers bekijk...

In het droge seizoen valt de enige waterput in ons kleine dorpje droog en wordt er met moeite nog wat water uit het nu snel opdrogende nabijgelegen riviertje gehaald. Een paar vrouwen doen dat tegen betaling voor mij en ze vragen me nu eindelijk niet meer waarom ik dat niet zelf kan doen... Ze hebben me een aantal keren zien tobben en zweten met een emmer of een jerrycan op mijn hoofd en geven nu lachend toe dat ik tot een boel in staat ben, maar dat waterhalen niet voor mij is weggelegd... Mijn ongeoefende, wiebelende nek -waardoor ik steeds maar met een halve inhoud bij mijn hut aan kwam-, mijn handen krampachtig om de vaten geslagen en mijn verwrongen gezicht zorgden voor veel hilariteit terwijl ik jaloers en nijdig keek naar de statige vrouwen, fier rechtop die met losse handen, al keuvelend met een lach om de mond mij voorbij streefden...

Het water is lobbig, bruin en er drijft en beweegt van alles in waardoor de eens zo stralende, kleurige stoffen flink aan fleurigheid moeten inboeten... Zeep wil niet schuimen en om water te sparen spoel ik niet zo goed als zou moeten, waardoor het stijf en wat wit uitgeslagen opdroogt... Rood stof, opgezweept door de harmatan blijft onmiddellijk plakken aan het natte goed maar... het ruikt weer fris!

De droge woestijnwind en de warme zon zorgen ervoor dat het na een paar uur al weer binnengehaald kan worden en vlak voordat het donker wordt stap ik het hek uit naar de waslijn die zich net buiten mijn ommuurde compound bevindt... Maar er mist iets! Mijn witte hoofddoek hangt er niet meer! Ik weet het zeker dat ik die gewassen heb en de lege plaats aan het dunne lijntje dat gespannen zit tussen twee karitéboter-bomen spreekt voor zich... Twee vale knijpers hangen daar gewoon niets te doen! Ik speur in de nu snel vallende duisternis om me heen, maar zie niets... geen doek, geen dief...

Opgewonden vertel ik Ibrahim wat er is gebeurd... “Dat had ik nou nooit verwacht! Denk je hier lekker veilig en vrij te wonen in dit allervriendelijkste dorpje en dan verdwijnen de kleren van de lijn!” Kinderachtig generaliserend mopper ik door over de mentaliteit van Afrika; ‘ach ze is blank, die koopt toch gewoon weer een nieuwe?! Geld zat dus daar kan ik wel een ‘doekje’ van meepikken!’ Ibrahim sust en zegt dat hij het wel aan zijn grootvader zal vertellen die de Chief, het opperhoofd, van dit dorp is en vraagt me erover op te houden en het te vergeten... Maar ik kan het niet laten... Er is net iets teveel met me gesjoemeld en ik draaf genadeloos door... “Het moet wel een moslim zijn geweest, want wie heeft er anders iets aan een hoofddoek...?!”

Ik baal! Het was echt een hele mooie witte hoofddoek, voor het eerst gedragen op mijn bruiloft! Een simpel geborduurd patroon erin met kleine zilveren kraaltjes ertussen... Die hoofddoeken zijn hier prachtig en ik draag ze met veel plezier! Maar het is meer het idee dat er weer iets ontvreemd is... Ik heb hier geen sloten op de deuren... waar gaat dit toe leiden?

De volgende dag als we thuiskomen na het werk hangt de verloren hoofddoek eenzaam over de lijn... Triomfantelijk hou ik hem voor Ibrahim zijn neus... “Die had zeker spijt?!” zeg ik vrolijk, maar Ibrahim boort mijn blijdschap de grond in: “Die kan je niet meer dragen Salima... Je weet maar nooit wat ze ermee uitgespookt hebben...” En weer hoor ik die magische woorden: ‘Dju-Dju...’ Mijn lach verdwijnt en ook al denk ik vaak van dat zal wel meevallen, ik ben vast niet gevoelig voor die ‘tovenarij...’ je weet het maar nooit! “Geef hem maar weg!” Ik denk snel na en zeg dat ik hem dan wel aan Lizzy geef, onze tienerdochter, gek op doekjes en frutsels... Maar dat is volgens hem ook geen goed plan, hij moet gewoon weg, het erf af en ik opper dan maar gelaten dat ik hem van de week wel zal verbranden en gooi hem in een hoek achter een koffer met kleren omdat ik er nog niet aan toe ben hem in de vuilnisbak te gooien... Aaah! Heb ik hem weer maar dus ook weer niet!

De volgende morgen vertel ik mijn collega’s in de werkplaats mijn verhaal en ook zij zeggen meteen: In onze Dagomba traditie moet je die niet meer dragen hoor! “Weet ik”, antwoord ik nog steeds beduusd...

Tegen de avond loop ik in mijn compound wat schaarse zaadjes te verzamelen van de pispotjes –de enige bloemen van de vele Hollandse zaadjes die ik hier geprobeerd heb- die fantastisch bloeiden op de schrale grond... Wat een bloemenzee! Met prachtige kelken in allerlei kleuren die zo mooi over de rieten daken groeiden. Die fleurigheid is nu ook aan het verdwijnen door die alles verzengende zon en ik zorg vast voor nakomelingen voor in het regenseizoen... Plotseling hoor ik iets bij de waslijn en sta verstijfd stil... Ik kan van waar ik sta niet over de muur kijken en sluip dichterbij, ondertussen pak ik stevig een verdwaalde stok in mijn hand... Heel langzaam steek ik mijn hoofd over de muur en zie dat er aan mijn deken getrokken wordt die ik daar heb opgehangen om te drogen... Als in een reflex geef ik een schreeuw en zwaai met mijn stok driftig heen en weer! Onze hond laat de natte, kort geleden nog schone- maar nu modderige deken los die al half over de rode grond sleept en rent met zijn staart tussen de poten ervandoor... Een eindje verderop blijft hij staan en kijkt me schuldbewust aan... Ik kijk schuldbewust terug... Dan loop ik mijn hut in, vis de doek van de grond die daar als een vod -en naar het schijnt op dit ogenblik- heeft liggen wachten en bestudeer bij het licht van de lantaarn de vieze pootafdrukken die me nog niet eerder waren opgevallen... ‘Daar ga je Ellen’, denk ik en ik gooi mijn hoofddoek peinzend in een emmer vers, bruin sop...